Doorgaan naar hoofdcontent

Durf stom en stamelend nabij te zijn


Hieronder het resultaat van een opdracht voor het vak Eschatologie: schrijf over eschatologie met een seculier publiek voor ogen. Bij mij resulteerde het in een zogenaamd interview met mezelf. Helemaal tevreden ben ik niet (de tweede visie te vaag uitgewerkt en de 'keuzemenu'-opzet werkt ook niet in alle opzichten even helder) maar het cijfer was goed en dus durf ik het hier ook wel te plaatsen ;-)

We leven in een tijd die de dood ontkent. In alle aandacht die we tegenwoordig hebben voor ons lichaam is er vaak sprake van een ideaalbeeld – de vergankelijkheid van ons lichaam houden we zoveel mogelijk buiten beeld.  Hoog tijd om daar verandering in te brengen, vindt Lieke Weima, theoloog.  

HOE KIJKT U ALS THEOLOOG NAAR DEZE TIJD?
“Als theoloog ben ik geïnteresseerd in de manier waarop mensen omgaan met de grote vragen van het leven. Bijvoorbeeld: hoe ga je om met dood en vergankelijkheid? In de Westerse wereld is die vraag vanaf de tijd van Plato meestal beantwoord door een scheiding voor te stellen tussen lichaam en ziel, waarbij het lichaam sterfelijk was en de ziel niet. De ziel werd gezien als de ‘echte’ mens en het lichaam als niet meer dan een tijdelijke vorm. Ook veel dominante stromingen binnen het christendom hebben dit idee overgenomen. Dat had tot gevolg dat het lichaam nogal eens in een kwaad daglicht kwam te staan. Een van de mooie dingen aan deze tijd vind ik dat we steeds meer aandacht krijgen voor onze lichamelijkheid. Dat kun je onder andere zien aan bewegingen als mindfullness, die oproepen om niet te veel “in je hoofd” te leven en je meer bewust te zijn van je lichaam.”

HOE DENKEN WE VANDAAG DE DAG OVER DE DOOD?
“Volgens mij doen we vooral heel hard ons best om níet aan de dood te denken… Als we opnieuw kijken naar onze omgang met ons lichaam, zien we dat het eigenlijk vooral het jonge en mooie lichaam is dat in de belangstelling staat. Dat   blijkt bijvoorbeeld uit  make-upreclames en bij  kledingadvies in tijdschriften: ‘koop dit of doe dat en je ziet er meteen járen jonger uit.’ De impliciete boodschap is dat rimpels, ouderdom en vergankelijkheid niet voldoen aan het beeld dat we van ons lichaam hebben. Maar ons lichaam is ook viezigheid, pijn, ziekte, en dood. Dat is de harde realiteit. We kunnen daar bang van worden – ikzelf word er in ieder geval weleens bang van. Maar als we ons ervoor afsluiten, sluiten we ons af van een belangrijk deel van het leven. De grote vraag is dus: waar
halen we de moed vandaan om wél stil te staan bij de vergankelijkheid van ons  lichaam?”

KUNNEN WE DAARIN IETS LEREN UIT DE CHRISTELIJKE TRADITIE?
“Ik denk het wel. Het christendom heeft ervaring met denken over de dood. Dat is wel altijd wat ik noem ‘grens-denken’: wanneer het gaat over de grenzen van het leven, stuit je automatisch ook op de grenzen van wat wij menselijkerwijs nog kunnen weten. Door middel van beeldspraak en religieuze taal hebben mensen door de eeuwen heen geprobeerd een kijkje te nemen over die grens heen. Lange tijd ging de kerk daarbij uit van de strikte scheiding tussen lichaam en ziel, zoals ik al zei. De afgelopen jaren is er echter meer ruimte gekomen voor het lichaam en voor de mens als geheel. Er worden heel verschillende ideeën ontwikkeld.”

ZOALS?
“Ik zal twee voorbeelden noemen.  De eerste visie is die van Jörgen Moltmann, een theoloog die echt over de grens van de dood heen probeert te kijken. Dat doet hij vooral op basis van wat hij in de Bijbel leest over dood en wat er in de christelijke traditie over gezegd  is.   Volgens      hem mogen we hopen op de opstanding van de doden. Wij mensen sterven en vergaan in de aarde – niet alleen met huid en haar, maar ook met hart en ziel. Maar uiteindelijk zal God ons doen opstaan uit de doden. Hij zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen en zal ons dan als het ware opnieuw scheppen, met lichaam en al. We hoeven dus niet krampachtig vast te houden aan een deeltje van onszelf dat onvergankelijk zou zijn (de ziel), terwijl de rest (het lichaam) er niet toe doet. Integendeel: we mogen vertrouwen op de scheppende macht van God.” 

DAT VERONDERSTELT WEL DAT JE IN DIE GOD GELOOFT…
“Ja. Misschien zeg je: dit is onmogelijk. Maar aan de andere kant: het idee dat er toch ergens ‘iets’ is van de mens dat voortleeft na de dood – een idee dat ook in seculier Nederland nog wijdverbreid is – is in de ogen van de hedendaagse natuurwetenschap net zo goed onmogelijk: zonder lichaam zijn we immers niets? Misschien moeten we wat meer open staan voor het onmogelijke.”
 
EN ALS DAT NIET LUKT?
“Ook als je niet over de grens van de dood heen wilt kijken, kun je verder komen met de christelijke traditie. Een goedvoorbeeld daarvan is de visie van Maaike de Haardt. Haar theologie is radicaal aards. Ze zegt niet dat er helemaal geen continuïteit van leven zal zijn, maar daar wil ze verder geen uitspraken over doen. Een van de kernpunten van haar theologie is de erkenning dat ziekte, pijn en dood net zo goed horen bij een voltooid en rijk menselijk leven als vreugde. Alleen dan kun je volgens haar echt recht doen aan de eindigheid van het menselijk lichaam.”

DAT ZIJN TWEE HEEL VERSCHILLENDE VISIES.
“Moltmann ziet de dood als een vijand. Voor Haardt is de dood ook iets verschrikkelijks, maar tegelijk zegt ze dat het lijdende en sterfelijke lichaam ook iets heiligs is. Daarin liggen deze twee theologen inderdaad ver uit elkaar. Toch denk ik dat het allebei vormen zijn van een christelijk perspectief. Moltmann baseert zich heel duidelijk op de persoon van Jezus Christus. Van hem wordt immers in de Bijbel gezegd dat hij al is opgestaan uit de doden. Veel christenen zien Jezus op dit punt als een ‘voorganger’. Haardt schrijft zelf niet over Jezus,  maar ik zou het leven en sterven van Christus wel willen verbinden met haar ideeën. Vanuit de verhalen leer ik Jezus kennen als een mens waar iets van God in doorscheen. Een mens die intens goed was, zó intens mens dat anderen bang van hem werden. Daarom moest hij dood. Deze goddelijke mens die stierf aan het kruis heeft laten zien dat sterven tegelijk iets verschrikkelijks en iets heiligs is.”

GELOOFT U ZELF EIGENLIJK IN LEVEN NA DE DOOD?
“Ik weet het niet, houd het open. Daarom kan ik me ook meer vinden in de theologie van Haardt dan in die van Moltmann. Voor mij is het belangrijkste dat de realiteit van het sterfelijke lichaam erkend wordt. Dat maakt Haardt concreet met haar oproep tot ‘aanwezigheid’. We moeten de verhalen van de doden blijven vertellen, zodat ze bij ons aanwezig blijven. En vooral: we moeten de aanwezigheid van stervenden en de dood in ons leven bevestigen. Dat kunnen we doen door actief betrokken te zijn en te blijven bij zieken en stervenden om ons heen, en het durven uithouden met hun wanhoop en pijn. We moeten, zoals Haardt zegt, stom en stamelend durven zijn, maar wel nabij.”

Reacties

Populaire posts van deze blog

Een grote rode boerenzakdoek - bij het overlijden van Nico ter Linden

Nee, dit is geen zakdoek uit verdriet - of misschien ook een beetje wel, stiekem, want hij was voor mij zo'n mens waarvan je je niet kunt voorstellen dat hij ooit voorbijgaat.

Ik was een jaar of vijftien en Nico ter Linden kwam naar Houten. Als echte fan moest ik daar natuurlijk bij zijn, en als echte BN'er was hij in het echt natuurlijk een stuk kleiner dan ik me had voorgesteld. Van wat hij vertelde die avond weet ik weinig meer. Wel nog dat hij van tijd tot tijd zonder enige schaamte zijn grote rode boerenzakdoek tevoorschijn haalde om zijn neus te snuiten. Daarna borg hij de zakdoek weer op, keek de zaal eens rond en vertelde verder. Niemand had de tijd om het hilarisch te vinden, en binnen een paar seconden had hij ons weer mee teruggevoerd naar de wereld van de aartsvaders.

Ik was een jaar of twaalf en ik zat vol met vragen. Mijn moeder gaf me een boek met de gebundelde columns van Nico ter Linden, Kostgangers. Ik las dat geloof en ongeloof bij elkaar horen, 'als de…

Heden is u een heiland geboren

Als ik vroeger vriendinnetjes zag fietsen met een vioolkist of gitaarhoes op hun rug, was ik stiekem wel eens een beetje jaloers. Een piano neem je niet mee, dus ik had behalve mijn bladmuziek niets zichtbaars of tastbaars bij me. Aan mij kon je nooit zien dat ik naar muziekles ging.
Is het ijdelheid, dat ik het stiekem wel eens jammer vind dat ik als dominee niets zichtbaars of tastbaars bij me heb op zondagochtend? Ik heb nog geen toga, dus blijft over: mijn map met papieren en een paar keelsnoepjes. Toen ik op kerstavond in de bus naast een paar voetbalsupporters zat, kon niemand zien dat mijn koffer met kerststalfiguren gevuld was, en toch vond ik het maar wat leuk dat ik het kerstevangelie zo maar bij me had. 
Geloven wordt al snel abstract. Gods aanwezigheid is niet zichtbaar of tastbaar, je kunt God niet zien, niet aanraken. Bijbelverhalen spelen zich af in een wereld van tweeduizend jaar of nog langer geleden, een wereld waar we ons slechts met moeite een voorstelling van kun…

Studeer, zing, bid en verwonder

Zingen is dubbel bidden, dat is zo'n uitspraak die Augustinus ooit gedaan zou hebben en die je overal te pas en te onpas tegenkomt. En zoals voor de meeste clichés geldt: ze is nog waar ook.

Als ik het probeer, dan lukt het vaak niet, bidden. De woorden zijn er niet, of ik kan de rust niet vinden. Gebed is een houding die me overvalt, in dankbaarheid om wat er aan moois gebeurt in mijn leven of in een wanhopige schreeuw naar boven.

Het gebeurt me regelmatig als ik zing. Koorrepetitie, onder de douche, tijdens een viering of bij het studeren maakt dan niet uit. Vanmorgen ratel ik op mijn toetsenbord voor een paper dat ik snel af wil hebben. Het is om verschillende redenen geen makkelijk jaar geweest, en ik ben de hele boel een beetje zat. Klaar met die studie, de zomer moet komen! Probeer niet te veel na te denken en gewoon maar te typen. Ondertussen draai ik de cd op die we gisteren met het Vocaal Theologen Ensemble gepresenteerd hebben, het liefste lied van overzee deel 2. Ik hum…